PHILIDOR
7 September
1726 - 31 Augustus 1795
door: Koert Wijnands
Philidor, bij de meeste schakers bekend als de beste schaker van zijn tijd. De man die als eerste in het min of meer moderne schaak een blindsimultaan op 3 borden gaf en daarnaast ook nog aardig goed was in muziek. Bij de meeste musici en muziekliefhebbers staat Philidor bekend als een groot componist, die door Europa van hof naar hof trok om te musiceren en die ook vrij aardig kon schaken. Vaak ligt de waarheid bij zo iets in het midden. Hier niet! De beide groepen 'kenners' hebben gelijk. Philidor was een groot componist en de beste schaker van zijn tijd. Omdat hij nooit tegen de grote Italiaanse meesters van die tijd speelde, was hij in ieder geval de beste schaker van centraal, west en noord Europa.
Philidor stamde af van een echte muzikanten familie. De familienaam was Danican of d'Anican, wat weer een verbastering was van de typisch Schotse naam Duncun. De familie stamde van oorsprong dan ook uit Schotland. Een van de eerste leden van de familie die bekend werd, was Michael Danican. Hij trad in 1651 als musicus in dienst van Lodewijk XIII. Zijn hobospel moet zo fraai geweest zijn dat Lodewijk hem de toevoeging Philidor schonk. Filidori van Siëna was een beroemde fluitspeler uit die tijd en voorganger van Michael Philidor en naar hem vernoemd worden was blijkbaar een hele eer. Eveneens een bekend familielid was Jean Danican Philidor. Deze was waarschijnlijk een broer van Michael en leefde van ca. 1620 - 1679. Hij trad in dienst als pijper bij de Grand Ecurie. Bij zijn dood had hij de rang van Dessus de cromorne et trompettenmarine. Hij was een bekend componist van dansmuziek. Zijn zoon was Andre Danican Philidor. Deze leefde van ca. 1647 - 1730. Hij volgde zijn oom Michael op als lid van de Grand Ecurie en bespeelde vele instrumenten, waaronder kromhoorn, trumscheit, pauken, hobo, flageolet, nonnenviool en vele andere instrumenten. Hij speelde voor Lodewijk XIV en schreef veel muziek; zoals militaire marsen, fanfares, hofmuziek en opera's. In 1684 werd hij bibliothecaris van de koninklijke muziekbibliotheek tot hij in 1722 op ongeveer 75 jarige leeftijd werd gepensioneerd. Hij vestigde zich in Dreux waar 4 jaar later de grote Philidor werd geboren. Andre Danican Philidor was blijkbaar tot op hoge leeftijd een actief man.
Francois-Andre Danican Philidor, geboren te Dreux en bijna 69 jaar later gestorven in Londen. De jonge Francois was al op zeer jeugdige leeftijd werkzaam aan het hof als page en jongenssopraan en was zowel literair als muzikaal zeer begaafd. In de koninklijke kapel waarin hij speelde, leerde hij van de andere muzikanten een spel dat onder hen in die tijd zeer populair was; het schaken. Componeren leerde hij in een gedegen opleiding van André Campra, *1) de kapelmeester.
Van deze man kreeg Philidor dus les en blijkbaar heel goed, want al in 1738 (hij was toen 12 jaar oud!) werd er, zeer tot tevredenheid van Lodewijk XV, in de kapel een motet *2) van hem uitgevoerd. In 1740 nam hij ontslag om in Parijs als zelfstandig musicus de kost te gaan verdienen. Dit ging hem niet al te best af. Misschien was het zijn leeftijd? Hij was tenslotte pas 14 jaar oud. In ieder geval leefde hij in die tijd van kopiëren, lesgeven en van het schaken. In 1743 werd er nog een motet van hem gespeeld, maar het schijnt geen grote bron van inkomsten voor hem te zijn geweest. In 1744 en 1745 hielp hij Jean-Jaques Rousseau *3) met het schrijven van de opera Les muses galantes.
Philidor schreef dus voor of met deze man mee aan zijn eerste opera, maar leefde nog steeds van het schaken. In deze tijd werd hij ook steeds meer door het schaken geobsedeerd. In Café de la Régence *4) ontmoette hij Sire de Légal, in die tijd de beste speler van Frankrijk. Hij studeerde met hem en wist hem tenslotte te verslaan. Zakelijk ging het hem nog steeds niet voor de wind en in 1745 moest hij vluchten voor zijn schuldeisers, kwam naar Nederland en vestigde zich afwisselend in Nederland en Duitsland. Voor zijn dagelijks brood schaakte hij.
Tijdens zijn vele reizen ontmoette hij in Eindhoven de hertog van Cumberland en veel andere Engelse officieren. Deze zorgden er voor dat hij naar Engeland kon komen. Hij versloeg de Engelse kampioen Sir Abraham Janssens en later Stamma. Vanaf dat moment werd hij beschouwd als de beste speler ter wereld en noemt men hem vaak de eerste officieuze wereldkampioen.
In 1749 kwam zijn beroemde boek 'Analyse du Jeu d`Echecs' uit. Hij had het in 1745 in Aken al geschreven. Het kwam uit, dankzij de (financiële) hulp van de hertog van Cumberland. Het boek is later in vele talen vertaald en in talloze edities uitgegeven. In het boek komt de bekende zin voor: "De pionnen zijn de ziel van het schaakspel." In wezen de kern van het boek. De koninklijke bibliotheek in den Haag staat bekend als beheerder van een van de grootste verzameling schaakboeken van de wereld *5) en heeft meer dan 80 uitgaven van het boek in vele talen. De eerste Nederlandse uitgave verscheen na 37 jaar in 1786 bij de uitgeverij Petrus Lievens Kersteman. *6)
In Londen leverde hij de voor die tijd ongehoorde prestatie om op 3 borden blindsimultaan te spelen. Zijn vrienden die getuige waren geweest, haalden er een notaris bij om het in een verslag vast te laten leggen voor het nageslacht. Want, zo zei men, dit zou nooit meer overtroffen worden. *7)
Pas in 1754 kon Philidor, dankzij Franse vrienden weer naar Frankrijk terug keren. Niet dat hij al die tijd in Engeland was gebleven, hij had onder andere het hof van Frederik de Grote bezocht om er te schaken. Maar terug in Parijs begon hij onder invloed van de grote componist Händel -die hij in Londen had leren kennen- weer te componeren. Hij begon met: "Motets a grand choeur".
Hoewel Lodewijk XV hem een jaarlijkse toelage gaf, kon hij geen vaste baan krijgen als hofcomponist. Zodoende begon hij met het schrijven van opera's en tussendoor ook andere stukken, vaak met Italiaanse invloeden. Zoals: "Lauda Jerusalem" en zijn enige instrumentale werk: "L'art de la Modulation".
In 1759 kwam, met veel succes zijn eerste opera uit: "Blaise le Savetier". Tussen 1759 en 1765 schreef hij niet minder dan 11 opera's comiques, waarvan er 8 succesvol waren. Na zijn opera "Le Sorcier" in 1764 werd hij als eerste componist in de geschiedenis op het toneel geroepen, vóór het gordijn en bij het applaus betrokken; nog nooit vertoond in die dagen. Een ook nu nog bekend componist, Carl Maria von Weber is sterk door hem beinvloed.
Hij reisde wel elk jaar naar Londen om er te gaan schaken in de St. James Chess Club waar hij ook lezingen gaf. Deze club verleende hem een pensioen. Vanaf 1765 begon Philidor minder te componeren en meer te schaken en rond 1790 was hij ondermeer ook schaakleraar van Lodewijk XVI. Tijdens de Franse revolutie van 1792 moest hij, als beschermeling van 2 Lodewijken naar Engeland vluchten. Toen in dat jaar de Frans-Engelse oorlog uitbrak, zat hij vast en moest noodgedwongen 2 jaar in Engeland blijven. Na de vrede van 1795 bleek hij op de lijst van emigranten te staan en kon hij niet meer terug. Het schijnt hem zeer te hebben verbitterd. In Londen sleet hij zijn laatste dagen en op 31 augustus 1795 overleed Philidor op nr. 10, Little Ryderstreet en werd op St. James Piccadilly begraven. De juiste plaats is nu niet meer te achterhalen. Zo eindigde het bijzondere leven van een bijzonder man op bijna 69 jarige leeftijd.
Zijn beroemdste
citaat is wel het hier al eerder aangehaalde: "De pionnen zijn de ziel van
het schaakspel." Dit citaat wordt nu nog veel aangehaald en vormt de basis
van alle schaaktheorie.
1) Deze André Campra was zeker niet de eerste de beste. Gedoopt in Aix-en-Provence op 4 december 1660 en overleden op 14 juni 1744 te Versailles. Italiaans priester. Was achtereenvolgens, kapelmeester van Saint-Trophime in Arles, Saint-Etienne te Toulouse en de Notre Dame in Parijs. Omdat dat laatste voor hem niet te verenigen was met het schrijven van opera's, nam hij ontslag en was vanaf 1722 tot zijn dood, kapelmeester van de koninklijke kapel in Versailles. Schreef vele muziekstukken, onder andere balletten, opera's, serenades voor hoffeesten, toneelmuziek en veel kerkmuziek, zoals motetten, psalmen, een mis voor groot orkest, een requiem en cantates.
2) Een motet is een meerstemmige vocale compositie op overwegend geestelijke tekst, veelal in het Latijn.
3) Jean-Jaques Rousseau was een beroemd man, moralist en schrijver, pedagoog en filosoof. Op een bepaalde manier min of meer vergelijkbaar met onze Erasmus. Leefde van 28 juni 1712 tot 2 juli 1778. Geboren in Genève en overleed na een leven van omzwervingen door heel Europa in Ermenonville. Bekeerde zich als Hugenoot tot het katholicisme en later weer terug tot het protestantisme. Over deze geleerde is alleen al een boek vol te schrijven en dat is dan ook vele malen gedaan.
Toevallig weet ik uit de geschiedenis van de zwemsport dat hij ook een groot voorstander was van zwemmen en zwemles; wat heel opmerkelijk was in die tijd.
4) Café de la Régence was in de 18e en 19e eeuw wellicht de belangrijkste ontmoetingsplaats van schakers van de hele wereld. Behalve Philidor kwamen er ook spelers als La Bourdonnaus, Deschapelles, Saint-Amant en Kieseritzki. Daar hadden ze vaak ontmoetingen met hun Engelse rivalen Lewis, Macdonnel, Staunton, Buckley, Walker en Pillsbery. Morphy speelde er zijn bekende blindsimultaan. Later kwamen de nu bekendere spelers als Capablanca, Aljechin en Tartakower op bezoek.
Ludwig Bachmann heeft in het eerste deel van 'Aus vergangene Zeiten' (1920) een boeiend stuk over de geschiedenis van dit schaakcafé geschreven.
Andere beroemde mensen die er schaakten waren Napoleon (in zijn officiers tijd) en Robespierre en schrijvers als Voltaire, Diderot, Jean-Jacques Rousseau (!) en Alfred de Musset.
Het café is in Parijs nog steeds te bezoeken, maar van het grote schaakverleden is niets meer terug te vinden.
5) De naam van de collectie is Bibliotheca Van der Linde-Niemeijriana.
Dr. M. Niemeijer uit Wassenaar is degene, die deze verzameling als particulier bijeen bracht om hem daarna te schenken aan de Koninklijke bibliotheek. Het geheel is van een niet te schatten waarde.
Anthonius van der Linde, heeft heel veel werk voor de schaakwereld verricht en heeft een groot aandeel in de benodigde werkzaamheden op zich genomen. Vandaar dat zijn naam terecht aan de collectie is verbonden. Hij was overigens een zeer onsympathiek mens die meende dat hij iedereen en alles kon beledigen, schofferen en kleineren. Uiteindelijk moest hij voor zijn vele vijanden naar Duitsland vluchten. Ook daar heeft hij veel goed werk gedaan en iedereen tegen zich in het harnas gejaagd en moest weer terug vluchten naar Nederland.
6) Ik heb in jeugdige overmoed het boek eens aangevraagd bij de bibliotheek. Die dienen zo'n verzoek dan weer in bij de Koninklijke bibliotheek in den Haag. Bijna per kerende post kreeg ik te horen dat het boek bij hen niet bekend was. Toen ik zei dat dat niet mogelijk was, is het verzoek herhaald. Na 3 maanden kwam het antwoord dat het boek wel bekend was maar onder de naam:
De kunst van schaakspelspeelen, in doelmaatige onderrich tingen, aangeweezen, ten nutte van elk dien het te doen is, om het schaakbord zoodanig te kennen, als, buiten dit on- derwijs, anderszins veele jaren tijds en eene gestagdige oefening vereischt. door Philidor. nieuwe uitgaaf Amsterdam 1819.
Het werd niet uitgeleend.
7) De oude Arabieren deden het honderden jaren terug al op 4 borden. Het wereldrecord staat nu overigens op 52 borden en heb ik het onze Ruud van Hooff het ook wel eens op 3 borden zien doen.
De recordlijst bevat grote namen:
1900 Pillsbury 16 borden
1925 Réti 29 borden
1943 Najdorf 40 borden
1947 Najdorf 45 borden
1960 Flesch 52 borden
Volgens Koltanovski (1937, 34 borden) berust dat hele blind-simultaan spelen op een trucje. Hij beweerde dat hij helemaal niet zo'n goed geheugen had. "U denkt toch zeker niet dat ik al die bordstanden kan onthouden," zo vroeg hij aan de aanwezigen: "nee, als ik bij de volgende partij kom, speel ik in gedachten de partij even opnieuw na, om zo bij de actuele stand te komen."
Inderdaad, het is maar een trucje.
Koert Wijnands
Bronnen:
Grote Oosthoek
Schaakbrevier
Dictonaire of musicians
Encylopedie van muziekhistorie
Prisma, encyclopedie der muziek
SOF, 8e jaargang nr 2
SOF, 8e jaargang nr 3
SOF, 11e jaargang nr 1.
Philidor II
Drie jaar nadat ik voor het eerst iets over Philidor schreef (in 1989) waren mijn vrouw en ik een paar dagen in Parijs. Als rechtgeaard toerist bezoek je dan natuurlijk ook het koninklijk paleis te Versailles.
Zoals een ieder waarschijnlijk wel weet bouwde Lodewijk XIII hier op de plaats van zijn jachthuis een paleis dat door de latere koningen steeds verder is uitgebreid tot de Franse revolutie er een eind aan maakte (zowel aan de laatste koning (Lodewijk XVI) als aan het bouwen).
Omdat het half november was, was het er niet zo druk als in de zomer. Het paleis is zo groot en er is zo veel te zien dat je een keuze moet maken. Onze keuze viel op een bezoek aan de kapel en het operagebouw, waar we met nog 4 andere mensen van een Engels sprekende gids een rondleiding kregen.
Op de galerij van de prachtige en reusachtige kapel wees de gids de plaats aan waar vroeger de muzikanten zaten die voor de Lodewijken speelden. Ze speelden 2 maal per dag, 's och-
tends en 's avonds, een nieuw muziekstuk voor de koning en zijn gemalin. Pas op dat moment drong het tot me door dat ik naar de plaats keek waar ooit de beroemde Philidor gespeeld en gezongen moet hebben. Dan leeft zo'n verhaal ineens weer meer voor je dan daarvoor.
Later in de rondleiding bezochten we het werkelijk prachtige operagebouw. Het was ooit door een van de Lodewijken gebouwd. Niet omdat hij van opera hield, maar omdat in een betrekkelijke korte tijd er 5 van zijn kleinzoons zouden gaan trouwen en het huren van 5 maal een feesttent (met parketvloer) duurder uit zou vallen dan het bouwen van een operagebouw.
Op dat moment zagen we de orkestbak waarin Philidor waarschijnlijk ook gespeeld heeft en het toneel waarop vast en zeker opera's van hem zijn uitgevoerd.
Je kijkt er dan met heel andere ogen naar.
De gids vertelde dat de koning iedere dag 2 muziekstukken of motetten ten gehore kreeg, die nog nooit eerder waren opgevoerd, anders zou hij wellicht iets horen dat hij al een keer eerder had gehoord en dat kon natuurlijk niet. In Versailles moeten nog kilometers muziekstukken staan opgeslagen. Allemaal stukken die slechts 1 maal zijn gespeeld. Ongetwijfeld moeten hier ook vele stukken van de familie Philidor bij zijn.
Helaas had onze gids nog nooit van de beroemde Philidor gehoord. Heel jammer.
En dat terwijl Philidor de man was die met zijn boek over het schaken het spel zoveel verder ontwikkeld heeft, dat wij onze stijl van schaken en onze manier van denken over schaken voor een groot deel aan dit bijzondere mens te danken hebben.
Koert Wijnands
De Rubáiyat ofwel een schaakgedicht
U kent waarschijnlijk allemaal wel het beroemdste schaakgedicht aller tijden, de Rubáiyat van Omar Khayyám, bijgenaamd 'de Tentenmaker', een Pers die leefde omstreeks het jaar 1.100. Het gedicht werd in het westen pas bekend door de Engelse vertaling van Edward Fitzgerald uit 1859.
Het bekende 'dag en nacht' en 'allemaal weer in het kistje' spreekt een ieder wel aan.
Omar Khayyám, die in Duitsland voluit Abu'l-Fath Umar Chayyam ibn Ibrahim wordt genoemd, is in 1038 in Nischapur geboren. Voor hem was het schrijven van boeken en gedichten eigenlijk bijzaak; hij was wiskundige en astronoom. Zijn tijdgenoten waren nogal geïrriteerd om zijn geschriften wegens de atheïstische gedachten die er uit spraken.
Hij gebruikte het schaken slecht als vergelijking tussen het leven en de vergankelijkheid. En dat sluit weer mooi aan bij dat gene wat Hein Donner eens zei: "Alles is met schaken te vergelijken. Schaken is met niets te vergelijken."
De Rubáiyat is een kwatrijn (een kwatrijn is een gedicht of strofe van vier regels, gewoonlijk met wisselend rijm) uit het hoofdstuk 'Schaken en de dood' uit het boek van Omar Khayyám. Uit een Duits boek begrijp ik dat het woord "Ruba'i" staat voor kwatrijn; terwijl Schaakmagazine zegt dat het gedicht de "Rubáiyat" heet. (?)
Er zijn dicht-puriteinen, die zeggen dat je een gedicht nooit kan en mag vertalen. Synoniemen bestaan niet. Maar de strekking van een gedicht is natuurlijk wel weer te geven en soms kan het door de vertaler zelfs verbeterd worden.
Helaas kunnen er maar weinig onder ons iets redelijks zeggen over de kwaliteit van de vertaling. Het oud Perzies ligt daarvoor te ver van ons af. Maar de Engelse vertaling gaat aldus:
't Is all a
Checquer-Board of Nights and Days
Where Destiny with
Men for Pieces plays:
Hither and thither
moves, and mates, and slays,
And one by one in
the Closet lays.
Of van Joachim Petzold, in het Duits:
Welt ist ein Schachbrett, Tag und Nacht geschrägt,
Wie Schicksal Menschen hin und her bewegt,
Sie durcheinander schiebt und schlägt,
und nacher in die schachtel legt.
Bijna niet letterlijk te vertalen, maar Edward Fitzgeralds gedicht luidt:
Het is allemaal een schaakbord van nacht en dag
Waar (het) noodlot met mannen als stukken speelt
Her- en derwaarts verplaatst (of zet), mat zet, en slaat
en een voor een terug in het doosje legt.
Terwijl Joachim Petzold vindt:
(de) wereld is een schaakbord, dag en nacht gekruist,
waar (nood)lot mensen heen en weer beweegt,
hen door elkander schuift en velt,
en naderhand in de doos legt.
Die laatste twee vertalingen zijn natuurlijk niet mooi, het is te letterlijk. Misschien hebben de schaak-puriteinen wel een beetje gelijk.
Daarom heb ik in de directe omgeving gezocht en juist op onze vereniging hebben we een man die het Perzies beheerst. Alie Khaneshir. Hoewel ik niet verwachtte dat iemand van nu het Perzies van 900 jaar geleden zou kunnen lezen, vroeg ik het hem toch. Met weinig hoop, er zijn uiteindelijk ook weinig Nederlanders van nu, die middeleeuws Neder Diets kunnen ontcijferen. Maar tot mijn verbazing was het voor Alie geen enkel probleem. In Perzië (nu Iran) is er op taalkundig gebied blijkbaar minder veranderd in die periode dan hier.
Het eerste wat Alie
zei, was dat er hele mooie gedachten stonden in het gedicht en hij wilde het
graag voor me vertalen, maar dat het heel moeilijk was om bepaalde gedachten en
symbolen zondermeer over te zetten in het Nederlands. Maar met behulp van zijn
dochter, die beter Nederlands spreekt dan hij, zou hij het proberen.
Dit is het resultaat:
Wij zijn mooi en de wereld houdt van ons
maar niet alleen om onze buitenkant,
ook om onze binnenkant
Wij zien de wereld als een onbenullig spelletje.
Desondanks sterven wij eens allemaal.
Als p.s. voegde Alie er nog aan toe:
"Dit is een stukje tekst uit een groot verhaal en dus is het moeilijk hier een duidelijke betekenis aan te geven."
In het officiële orgaan van de KNSB, 'Schaak Magazine' stond enige tijd geleden ook een aantal vertalingen. Dan blijkt dat je vele kanten uit kan.
Van de hand van Dr. J.W. Schortman kwam een vertaling van uit het Engels in 1970:
De wereld is een schaakbord,
dag - en nacht - geblokt,
waarop het lot de mensen
scheef en recht
verschuift,
schaak zet, en eind'lijk mat,
en ze een voor een weer in het kistje legt.
Zie ik in de uiterlijke vorm van het geschrevene een zandloper? De tijd, het noodlot?
In 1979 vertaalde L. Metsier de Rubiáiyat aldus:
Zo staan wij op dit schaakbord machteloos
van dag en nacht waar wonen wit en boos _
één schuift en dreigt, hij slaat en zet ons mat
en een voor een gaan wij weer in de doos.
Dirk Jorritsma vertaalde 10 jaar later de 75 kwatreinen van Omar Khayyám uit het Engels. Hij zag het zo:
't Is maar een schaakbord van nachten en
dagen,
het Noodlot is aan zet en zonder vragen
schuift hij ons door het spel, tot, één voor één
wordt weggeborgen na te zijn geslagen.
Van een onbekende dichter:
Zo dienen wij het lot en wuft verpoos
op 't schaakbord van de tijd, een roekeloos
bewegen, slaan, recht, dwars, diagonaal en
tenslotte, allen, allen, in de doos.
De volgend 2 dichters worden plagianten genoemd door de schrijver van `schaak magazine'.
Van Rien Vroegindeweij:
Want nu gaan ze een voor een,
als aardappelen in de sorteermachine
de hor af, de kist in.
En van Rouke van der Hoek:
Het hart is een schaakstuk
iedere partij opnieuw dapper dampend aan de
startlijn
alsof ie niet weet
dat het verliezen winnen of remise wordt
en daarna toch het kistje in
Opvallend is dat de vertalingen, geen van allen op die van onze Alie lijken. Desondanks komen allen hier terug op het zwart wit symbool en terug in de doos of kist.
Zo ook in het volgende gedicht van een onbekende dichter uit Oude-Tonge:
Als men het leven beschouwt als een schaakpartij
Dagen en nachten, in zwart en wit, een lange rij.
Waar men wikt en weegt, soms goed, soms slecht beslist,
dan stappen doet alsof men niet beter wist.
En... , al is slaan dan niet altijd verplicht,
toch gaat men door tot alles weer in het kistje ligt.
Of:
Geblokt en oppermachtig
en met groot verstand.
Strijdt men o'zo krachtig
voor een zwart/wit land.
Regeert men soms een poosje,
maar komt toch weer in het doosje.
Of:
Met zwart witte gedachten
trekken wij fier ten strijde.
Tot de gene, die zit te wachten
opstaat, niet meer te vermeide`.
Terug op beide voeten
omdat we weer de kist in moeten.
Of:
De mens, sterk of zwak,
schaakt slechts tegen één.
Wit als meel of zwart als roet,
met moeite of gemak.
Maar is het lot gemeen,
omdat men weer de doos in moet?
De Rubâiyât, het vervolg
Of de duvel er mee speelt. In de periode tussen het printen van het vorige clubblad en het uitkomen er van, liep ik in Leiden op een klein boekenmarktje met slechts 4 kramen, tegen het boek van Omar Khayyâm, vertaald door Edward FitzGerald, de 'Rubâiyât', op. Het is een prachtig boek vol met miniaturen, Perzische prenten, die voor een groot deel nooit eerder waren te zien.
FitzGerald is de man die de Rubâiyât ooit vertaalde en door dit boek kwam ik iets meer te weten over de oorspronkelijke schrijver of dichter en over wat een Rubâiyât is.
Omar Khayyâm is 1038 in Naishàpùr in het gebied Khoràsàn geboren en hij is daar in 1123 ook overleden en begraven. Verder staat er in het boek het nodige over zijn even beroemde medestudenten en leerlingen en over het vele werk dat hij in zijn leven verzet heeft. Zo ontwierp hij bijvoorbeeld samen met 7 andere geleerden een nieuwe kalender, die onze Juliaanse kalender uit die tijd overtrof en de nauwkeurigheid van onze Gregoriaanse kalender benaderde. Het leidde tot het zo genaamde Jalàli-tijdperk. Ook schreef hij wiskundige tabellen, de Ziji-Malikshàhi; welke vorige eeuw nog door de Fransen werden overgenomen.
In de vorige aflevering van ons clubblad schreef ik al dat ik uit de diverse beschrijvingen niet goed begreep wat een Rubâiyât is; een kwatrijn of alleen maar dit ene gedicht. Welnu een Rubâiyât (meervoud is ook Rubâiyât) is een kwatrijn. Het bij ons bekende gedicht heeft blijkbaar geen naam.
In het boek wat ik nu bezit staan er 110, maar er wordt over veel grotere aantallen geschreven. Velen zijn er uiteraard verloren gegaan.
De bijnaam waaronder Omar Khayyâm bekend was, luidde Omar de Tentenbouwer. Mijns inziens een nogal vreemde naam voor èèn van de grootste geleerden van zijn tijd. Ik kon mij niet voorstellen dat de man daadwerkelijk ooit een tent had gefabriceerd. Hoewel je daarbij natuurlijk niet moet ver-geten dat een tent in die tijd niet alleen een ding was, maar waarschijnlijk ook een symbool voor rijkdom, eenheid en geborgenheid en dat geleerden, om wat voor reden dan ook, naast hun studie vaak handarbeid verrichtten.
Omar Khayyâm kreeg deze bijnaam niet voor niets. Het was in die tijd namelijk de gewoonte om bij een bekende dichter als toevoegsel zijn (ex)-beroep te noemen. Zo had je bijvoorbeeld Assâr, een olie-perser of Attâr, een apotheker. (Dat komt misschien vreemd over maar zulke bijvoegsels, gericht op het oude beroep of afkomst, bestaan bij ons heden ten dage nog steeds; vooral bij de (sport)-pers. Wie kent niet de bekende wielrennende stratenmaker (Gerrie Kneteman), de zingende kraanmachinist (Lee Towers), de gebrilde Zeeuw (Jan Raas) en vele anderen).
Omar was, voor hij van zijn geleerdheid zijn, kon leven, inderdaad een tentenbouwer.
Zelf zinspeelt hij op zijn bijnaam in de onderstaande "grillige" regels:
"Khayyâm, who
stitched the tent of science,
Has fallen in
grief's furnace and been suddenly burned;
The shears of Fate
have cut his tent rope's of his life,
And the broker of
Hope has sold him for nothing!"
Of wel:
"Khayyâm, die de tent van de wetenschap (aaneen) naaide,
Is in de vuurhaard van het ongeluk gestort en meteen verbrand;
De schaar (of mes) van het noodlot heeft de scheerlijnen van zijn leven door gesneden,
En de makelaar van de hoop heeft hem voor niets verkocht!"
Ik moet bekennen dat ik nogal wat moeite heb met het engels dat FitzGerald in 1859 gebruikte voor zijn vertalingen en dat ik de bedoeling achter bovenstaande regels niet helemaal begrijp.
De tekst van het bij ons bekende gedicht wijkt af van het gedicht zoals het in het boek staat. Ik denk dat FitzGerald het kwatrijn aangepast heeft om het als een zelfstandig gedicht te kunnen gebruiken. Dan klinkt het zo:
't Is all a
Checquer-Board of Nights and Days
Where Destiny with
Men for Pieces plays:
Hither and thither
moves, and mates, and slays,
And one by one in
the Closet lays.
In het boek is dit gedicht nummer 74. Ik denk dat het zó vast aan nummer 73 verbonden is dat ik ze hier onder samen moet weergeven:
73
We are no other
than a moving row
Of visionary
Shapes that come and go
Round with this
Sun-illumin'd Lantern held
In midnight by the
Master of the show:
74
Impotent Pieces of
the Game he plays
Upon the
Chequer-board of Nights and Days;
Hither and tither moves,
and checks, and slays;
And one by one
back in the Closet lays.
Volgens Antony Douw is het woord 'show' hier waarschijnlijk een samentrekking van 'shadow' (schaduw) en is de 'sun-illumin'd lantern' geen zon aangeschenen lantaarn, maar een lantaarn met het felle licht als van een zon of misschien de zon zelf. De strekking van het gedicht verandert er misschien niet echt door maar het is toch niet het zelfde.
Met excuses voor het, naar verhouding, onbeholpen taalgebruik, de vertaling:
73
Wij zijn niet meer dan een voorbij trekkende stoet
Van ingebeelde vormen die komen en gaan
Rond(gaand) met deze zon-verlichte lantaarn (opgestoken)
Te middernacht voor de meester van het spel:
74
Krachtenloze stukken van het spel dat hij speelt
Op het schaakbord van dag en nacht;
Her- en derwaarts verplaatst (of zet), mat zet, en slaat;
en een voor een terug in het doosje legt.
Hier voeg ik liever niets meer aan toe.
Koert Wijnands
Bron: Rubâiyât of Omar Khayyâm.
Wie het boek eens wil inzien moet zich maar
melden.
De Rubâyât, nog een vervolg
Dat de site gelezen wordt,
bewees Leen Neleman, schaker van de Zwarte Pion. Hij werd door het gedicht
geïnspireerd en liet zijn dichtaderen stromen. Het resultaat was beter dan al
de andere gedichten die in de twee stukken staan.
Wellicht is een kleine
verduidelijking noodzakelijk. Leen is opa. En zoals u waarschijnlijk ook wel
weet, heeft een opa een paar heel belangrijke taken in het leven. Hij is de
gene die zijn kleinkind moet verwennen, liefhebben en begeleiden op het
levenspad bij die punten die niet voor de ouders zijn weggelegd. Iedereen die
opa is zal dit begrijpen. Het is niet nodig dit verder toe te lichten. Opa's
begrijpen het en niet opa's begrijpen het toch niet.
De kleindochter van Leen
heet Roosje en Leen kocht voor zijn kleindochter een poesiealbum en opende het
met het volgende gedicht:
Heldhaftig,
Keurig naast elkaar in het gelid.
Overzichtelijk,
De ene kant in’t zwart, de andere in’t
wit.
Tegenover elkaar,
Aan de randen van het bord.
Bepaald is al,
Dat ‘t winnen, remise of verliezen wordt.
Onvermijdelijk,
We weten maar vergeten het.
Noodlottig,
Verschoven, geslagen, schaak en mat gezet.
We zijn als stukken op een schaakbord,
Roosje!
Aan het eind doen ze ons netjes in ‘t
Houten doosje.
Ik vind het heel mooi,
bedankt Leen.
Koert Wijnands
Met hulp van en dank aan Alie A. Khaneshir.
|
Bronnen: |
Schaakbrevier. |
|
|
Schaak magazine. |
|
|
'Het schaakspel in de kunst- en cultuurhistorie' van E.H. Schuyer. |
|
|
'SCHACH, eine Kultuurgeschichte' van Joachim Petzold. |