Dat over schaken ook héél leuk geschreven kan worden is misschien niet zo bekend. Het is ook moeilijk. Ik wil een poging wagen om een stukje humoristische proza te wijden aan het schaken vanaf deze plek. In onderstaand verhaal wordt de tweekamp tussen Fischer en Spassky in 1972 om de wereldtitel bekeken op grote afstand als wel door het verkeerde einde van een verrekijker. Ter verduidelijking Visser is Fischer, Te Paske is Spassky en Smit is Schmidt (hoofdscheidsrechter tijdens deze beroemde edoch beruchte match) en voordat Bobby Fischer überhaupt zijn eerste zet uitvoerde waren er allerlei belachelijke incidenten vooraf. Vooral de wat oudere schakers herinneren zich dit nog wel.

                                                ZOALS U WILT!!!!!!

‘Wel meneer Smit; U was de hoofdscheidsrechter en tevens voorzitter van het organisatiecomité.’

‘Inderdaad. U ziet mij hier linksboven op de foto.’

‘Draagt U normaal geen bril? Ik zie een duidelijk kneepje in Uw neus.’

‘Ach, je doet het voor de schaaksport. En voor Norg natuurlijk. De tweekamp was bovendien verschrikkelijk belangrijk voor onze hele provincie Drenthe. Kaspers, de kruidenier, had er extra speciaal voor ingekocht en de Norgse afdeling plattelandsvrouwen hadden vier gelegenheidskussens geborduurd, dus al die mensen dupeer je.’

‘Had U deze moeilijkheden verwacht?’

‘Dat wel ja. Bob Visser is een lastige jongen, dat wisten we. Een etterbuil, onder ons gezegd.’

‘Maar een groot schaker.’

‘Niet groter dan Te Paske, dacht ik. Zeker niet als mens.’

‘Zou U in het kort nog eens willen vertellen welke hoofdbrekens Visser’s eisen U en Uw mensen allemaal hebben gekost?’

‘Nou, dat begon dus al meteen met de kwestie van de huisvesting. We hebben één hotel in Norg – pension de Karper van de oude Peters – en dat was voor de gelegenheid helemaal opgeknapt door vrijwilligers. Alle drie de kamers zijn opnieuw behangen, de jonge Peters heeft de verstopte wastafels doorgeprikt, en de vrouw van de oude Peters heeft zelfs nog nieuwe, geruisloze ringetjes in de gordijnen gezet. Schone asbakjes op de nachtkastjes, een fris krantje in de prullenmand, bloemetje op tafel, U kent dat wel.’

‘Te Paske was onmiddellijk tevreden, maar Visser moest en zou een spiegel waar nog nooit in was gekeken. Die hadden we niet in Norg. Via via hebben we toen een spiegel uit Peest laten komen, waar maar twee keer in was gekeken. Dat hebben we Visser voorgesteld en daar ging hij uiteindelijk mee akkoord. Dus de oude Peters installeert die spiegel ’s avonds op Visser’s kamer, maar per ongeluk kijkt hij er nog even in, of hij recht hangt. Nou, toen was het hotel natuurlijk te klein. De plafonds waren plotseling te laag en de kamervloer daarentegen te hoog en de lantaren voor de deur scheen ’s nachts naar binnen, enzovoort. Toen hebben we met toestemming van de burgemeester de lamp uit de lantaren gedraaid en het plafond iets opgehoogd, maar desondanks eiste Visser een ander onderkomen.’

‘En dat werd de Gouden Leeuw in Zeyen.’

‘Jawel. Maar de Gouden Leeuw heeft maar één kamer en die lag aan de achterkant. En Visser stond op de voorkant. Toen hebben we met alle weerbare mannen van Peest, Norg, Ter Aard en Zeyen het hotel in één nacht afgebroken en weer opgebouwd, met de kamer dus aan de voorkant. Maar nou liep aan de voorkant de provinciale weg Vries-Donderen en daar maakte Visser bezwaar tegen. Die moest weg. Toen hebben we met een mannetje of tachtig de hele weg opgetild, het is gelukkig een onverharde weg, anders hadden we het nooit kunnen doen, en daarna hebben we hem dus langs de achterkant van de Gouden Leeuw geleid.’

‘Verder zijn er nogal wat problemen geweest rond de het bord en de stukken, las ik in het Nieuwsblad voor het Noorden.’

‘Ja. Er zou namelijk gespeeld worden met het bord van de dominee, maar één van de witte paarden had een hapje uit zijn neus. Dat was de dominee nog nooit opgevallen, maar Visser zag het natuurlijk weer onmiddellijk. Toen heeft de oude Jaspers, de schrijnwerker uit Bunne, een heel weekeinde door moeten werken voor een nieuw wit paard. Dat is gelukt, maar Jaspers heeft er het leven bij gelaten. ’s Ochtends vonden we hem in zijn werkplaats onder de draaibank, met het witte paard in zijn linkerhand geklemd. De vingers waren al stijf, maar we hebben het eruit gekregen, en toen was de kwestie van het spelmateriaal dus in orde.’

‘Heeft U er nooit aan gedacht de hele tweekamp maar te schrappen en Visser op een platte kar terug te rijden naar Taarlo?’

‘We hebben even met die gedachte gespeeld, maar dan denk je weer aan die mensen die zich weken en weken belangeloos hebben kapot gewerkt. De oude Twisk bijvoorbeeld, die daar op de foto achter Visser staat, met die witte hoed op. Dat is de uurwerkhersteller van Zeegse. Die heeft sinds maart, toen we wisten dat Norg de wedstrijd in huis zou krijgen, gesleuteld aan een schaakklok met Romeinse cijfers, want dat was een andere voorwaarde van Visser.’

‘Wie staat daar naast de oude Twisk?’

‘U bedoelt de jonge Jaspers. Oorspronkelijk zou dus de oude Jaspers de stoelen en de schaaktafel timmeren, maar dat kon dus niet meer na het ongeluk met dat witte paard. Toen hebben we nog een tractor naar Gasteren gestuurd om zo’n twintig stoelen op te halen waar Visser dan uit zou kunnen kiezen. En voor alle zekerheid hebben de jongens en meisjes van Steeds Hoger uit Harendermolen een estafetteloop op touw gezet om nog net op tijd een Hindeloper stoel in de gymnastiekzaal van Norg te krijgen. Maar Visser keurde ze allemaal af. Hij zat er net zo lang op te wippen tot hij er doorheen ging. Gewoon pesterij.’

‘Te Paske was zéér te spreken over de gymnastiekzaal waar de match gespeeld zou worden?’

‘Te Paske is een schat van een jongen. Maar Visser eiste dat het publiek uit de wandrekken zou worden gehaald en dat de ringen zouden worden opgetrokken tot exact zeventien meter achtenzestig boven Amsterdams peil. Terwijl we hem al de verzamelde politiekorpsen van Schipborg, Anloo en de Punt hadden toegezegd, die gedurende de gehele tweekamp in kordon om hem heen zouden liggen. Om nou nog maar niet te spreken van de zestienjarige maagd die meneer iedere avond in zijn hotelbed wenste. Maar het blijft een enorme eer, de organisatie van zo’n provinciaal kampioenschap. Dus vraag mij niet hoe, maar die acht meter lange bank met die olijfgroene latjes van 38 millimeter breedte is er tenslotte óók gekomen!’

‘Getimmerd door de jonge Jaspers.’

‘Inderdaad. Hier zitten ze erop, dit was de eerste partij.’

‘Er is dus uiteindelijk in de open lucht geschaakt?’

‘Ja. Omdat Visser na de gymnastiekzaal, het stadhuis en de veilinghal tenslotte ook de grote zaal van ons nieuwe ziekenhuis had afgekeurd. Toen heeft hij geëist dat er rond de speelbank veertig rode beuken zouden staan en achttien zwarte zwanen zouden zwemmen, die gezamenlijk de naam “Visser” moesten vormen. Dat is óók weer voor elkaar gekomen, dankzij de oude mevrouw Leda uit Eexterveen.’

‘Ik kan me levendig voorstellen dat U zich af en toe naar het hoofd heeft gegrepen. Wat Te Paske hier rechts op de foto óók doet, zo te zien.’

‘Nee, dat ziet U verkeerd maar dat kunt U niet weten, want dat hebben we buiten de provinciale pers weten te houden. Visser’s laatste eis was namelijk dat Te Paske’s linkerhand voor de duur van de tweekamp op zijn hoofd zou worden vastgelijmd.’

                                                            Gert-Jan Zonneveld